Lezen
Verhaalkaart: de bouwstenen van een verhaal
Eén overzichtelijk schema waarmee leerlingen élk verhaal binnen tien minuten helemaal doorgronden.
Achtergrond
De verhaalkaart (in het Engelstalige onderwijs bekend als 'story map', met bekende varianten van onder meer ReadWriteThink/NCTE en Reading Rockets) is een grafisch schema waarmee leerlingen de vaste bouwstenen van een verhaal — personages, plaats en tijd, probleem en oplossing — apart in kaart brengen voordat ze het geheel navertellen. Het werkt zo goed omdat verhalen bijna altijd dezelfde onderliggende structuur delen: een 'verhaalgrammatica' die leerlingen, eenmaal aangeleerd, onbewust gaan gebruiken om nieuwe teksten sneller te begrijpen en te onthouden. Onderzoek naar begrijpend lezen laat zien dat expliciete aandacht voor verhaalstructuur vooral zwakkere lezers en lezers met een taalachterstand helpt, omdat het houvast geeft in plaats van dat ze alle details tegelijk moeten verwerken. In de praktijk begin je met een gezamenlijke, hardop-denkende invulling bij een voorleesboek, waarna leerlingen het steeds zelfstandiger gaan gebruiken bij het eigen leesboek. De kaart is ook uitstekend te gebruiken als voorbereiding op een boekverslag of boekpresentatie, omdat alle bouwstenen al geordend op papier staan.
Zo doe je het
- 1Kies een boek dat de klas kent (voorleesboek) voor de eerste, gezamenlijke oefenronde.
- 2Praat hardop denkend de verhaalkaart in: 'Waar en wanneer speelt dit zich af? Wie zijn de belangrijkste personages? Wat is het probleem?'
- 3Vul samen met de klas het bord- of digibordvoorbeeld in, voordat leerlingen zelfstandig aan de slag gaan.
- 4Laat leerlingen de kaart individueel invullen bij hun eigen leesboek, tijdens of na het lezen.
- 5Gebruik de ingevulde kaart als basis voor een korte mondelinge navertelling aan een maatje of de klas.
Voorbeelden
- —Bij 'Roodkapje' zou de kaart er zo uitzien: plaats/tijd = een bos en het huisje van oma, ergens 'lang geleden'; personages = Roodkapje, de wolf, oma, de jager; probleem = de wolf wil Roodkapje en oma opeten en doet zich voor als oma; oplossing = de jager bevrijdt Roodkapje en oma uit de buik van de wolf.
- —Bij 'Dolfje Weerwolfje' (Paul van Loon) vullen leerlingen in: personages = Dolfje, zijn ouders, meester Wim; probleem = Dolfje verandert bij volle maan in een weerwolfje en moet dat geheim zien te houden op school; oplossing = met hulp van zijn familie leert hij ermee omgaan.
- —Bij een informatief verhalend prentenboek over een dierenavontuur kan de kaart ook zonder 'gewonnen/verloren'-einde ingevuld worden: dan schrijven leerlingen bij 'oplossing' gewoon hoe de situatie aan het eind veranderd is ten opzichte van het begin.
Werkblad
Mijn verhaalkaart
Vul de kaart in over het boek dat je aan het lezen bent. Gebruik korte zinnen of steekwoorden.
1. Titel en auteur van het boek
2. Waar en wanneer speelt het verhaal zich af?
bijv. een klein dorpje, lang geleden / een school, nu
3. Wie zijn de belangrijkste personages?
noem er minstens twee en schrijf erbij wat voor type ze zijn
4. Wat is het probleem of de spanning in het verhaal?
5. Welke twee of drie gebeurtenissen zijn het belangrijkst voor het verhaal?
6. Hoe wordt het probleem opgelost?
7. In één zin: waar gaat dit boek eigenlijk over?
vat titel, personage, probleem en oplossing samen in één zin
Ervaringen van leerkrachten met deze werkvorm
Alleen geverifieerde leerkrachten kunnen reviewen — zo blijft elke review betrouwbaar.
InloggenNog geen ervaringen gedeeld. Log in als geverifieerde leerkracht om als eerste je ervaring te delen.
Klopt er iets niet, of wil je iets kwijt over deze pagina?