Leesontwikkeling
Woordenschat: de wisselwerking met lezen
Woordenschat en technisch lezen versterken elkaar over en weer. Hoeveel woorden moet je kennen om een tekst te snappen, en hoe leer je nieuwe woorden echt?
4 min leestijdIn het kort
- Voor basisbegrip moet je minimaal 95% van de woorden in een tekst kennen, voor diep begrip 98%.
- Van geraden woorden onthoud je maar 6%, van expliciet aangeleerde en herhaalde woorden 50%.
- Het Viertaktmodel van Verhallen is het gangbare model voor expliciete woordenschatinstructie.
- Verschillen in woordenschat ontstaan al vroeg en groeien zonder gerichte aandacht — het Mattheüseffect.
Een wederkerige relatie
Woordenschat en technisch lezen versterken elkaar wederkerig: passieve woordenschat aan het begin van groep 3 voorspelt hoe snel het decoderen zich ontwikkelt, en technisch lezen breidt op zijn beurt de woordenschat verder uit — zowel in breedte (aantal woorden) als in diepte (nuances van betekenis). Om een tekst goed te kunnen volgen, moet een lezer minimaal 95% van de woorden kennen; voor werkelijk diep begrip en om er echt van te leren ligt die drempel op 98%.
Geven en consolideren werkt beter dan raden
Een opvallend contrast: van woorden die een leerling zelf uit de context moet raden, blijft maar 6% hangen, tegenover 50% van woorden die expliciet worden aangeboden en daarna geconsolideerd. Dat pleit voor bewust woordenschatonderwijs naast — niet in plaats van — leren uit context.
Het Viertaktmodel van Verhallen is hiervoor het gangbare instructiemodel: voorbewerken (voorkennis activeren), semantiseren (betekenis verduidelijken), consolideren (herhalen en terughalen) en controleren (op meerdere manieren toetsen, niet alleen op de letterlijke definitie).
“Van geraden woorden wordt slechts 6 procent onthouden, terwijl van woorden die worden gegeven en geconsolideerd 50 procent wordt onthouden.”
— onderwijskennis.nl — Woordenschatonderwijs: theorie en praktijk (Vermeer, 2017)
Het Mattheüseffect bij woordenschat
Verschillen in woordenschat ontstaan al vroeg — en zonder gerichte aandacht worden ze alleen maar groter. Leerlingen met een kleine woordenschat leren nieuwe woorden trager (ze hebben minder aanknopingspunten in bestaande kennis), terwijl leerlingen met een grote woordenschat er juist sneller bij leren. Gericht, expliciet woordenschatonderwijs is daarmee niet alleen een taalinterventie, maar ook een kansengelijkheidsinterventie.
“Verschillen in woordenschat ontstaan al vroeg en worden groter zonder gerichte aandacht — het zogenaamde Mattheüseffect.”
— onderwijskennis.nl — Woordenschatonderwijs: theorie en praktijk